Groene golven in de procedures

Discussiemiddag 25 juni 2015
Discussiemiddag 25 juni 2015

Verslag van de discussiemiddag op 25 juni 2015

Is de zorg voor het behoud van het agrarisch erfgoed bij de Twentse gemeenten wel in goede handen? Dat was een  van de uitdagende vragen die op de door Twentse Erven geïnitieerde discussiemiddag aan de orde kwamen.

Een kleine twintig gemeentelijke ambtenaren met monumenten in hun portefeuille, of de ruimtelijke ordening van het platteland, waren op donderdag 25 juni 2015 bijeen in Reutum, op het fraaie Erve Deperman.

Twentse Erven ging met hen het gesprek aan over het behoud van historische boerderijen en erven en wat daar mee samenhangt. Wat betekent de verandering van functie voor een erf? Wat is het beschikbaar instrumentarium: voor het beleid, voor de regelgeving en voor de uitvoering? Hoe kom je tot effectieve samenwerking met de initiatief-nemende eigenaar? Wat is er aan financiële middelen voorhanden?

De deelnemers aan deze unieke bijeenkomst gingen enthousiast met elkaar in discussie, daartoe uitgedaagd door gespreksleider Anry Kleine Deters, voormalig cultuurwethouder van de Drentse  gemeenten Westerveld (in 2011 winnaar van de BNG-cultuurprijs) en Emmen. De aan het gesprek voorafgaande inleidingen boden de juiste inspiratie. Afke Draijer, directeur van de Monumentenwacht Overijssel en Flevoland, gaf een verhelderende toelichting op de komende nieuwe Erfgoedwet. En ook de door Bernard Stikfort, adviseur erfgoed en cultuurhistorie, aangedragen voorbeelden uit de gemeentelijke praktijk van "zijn" gemeente Westerveld, spraken zeer tot de verbeelding.

Voor Twentse Erven bood deze discussiemiddag een prima gelegenheid om nog beter kennis te maken met de voor het werk van de stichting zo belangrijke gemeentelijke ambtenaren. De bijeenkomst heeft de toon gezet en meerdere gesprekken zullen zeker volgen.

Uit de inleiding van Afke Draijer:

De nieuwe Erfgoedwet ligt nu bij de Eerste Kamer en treedt in werking in 2016. De wet vervangt niet minder dan 6 bestaande wetten, inclusief (een deel van) de huidige Monumentenwet 1998. De betekenis van de nieuwe wet is vrij groot: samen met de nieuwe Omgevingswet ontstaat er voor het eerst een integrale bescherming van het cultureel erfgoed (musea, monumenten en archeologie). Uitgangspunt daarbij is dat de door de huidige wetgeving geboden bescherming wordt gehandhaafd. Oftewel: het wordt in ieder geval niet slechter. Dat de verantwoordelijkheid voor de zorg voor het cultureel erfgoed zoveel mogelijk wordt gelegd bij de partijen die er dicht bij staan, is tevens een belangrijk streven.

Het is opvallend dat de Erfgoedwet niet toeziet op de beschermde stads- en dorpsgezichten. Dat onderwerp valt straks onder de nieuwe Omgevingswet die in 2018 in werking zal treden en die in verband hiermee verwijst naar het restant van de huidige Monumentenwet. De aanwijzings- en toezichtstaken verschuiven naar de gemeenten.

Er zijn ook andere onderwerpen die een nieuwe plek krijgen. Zo  wordt de rol van het monumentenregister beperkt tot een eenvoudiger beschrijving. Dat heeft juridische consequenties naar biedt tegelijkertijd ruimte voor andere bronnen met meer relevante informatie. Met als resultaat (de mogelijkheid van) een betere onderbouwing van de bescherming.

In de Erfgoedwet is ook weer geen wettelijke instandhoudingverplichting opgenomen, ondanks grote druk uit het veld om dat wel te doen. De actuele staat van het monument, hoe abominabel ook, is bepalend en mag niet verslechteren. Een voordeel van het ontbreken van een vérdergaande verplichting is wel dat de BRIM ruime mogelijkheden blijft bieden.

Afke Draijer gaf een aantal inspirerende beelden van wat onderhoud en restauratie van monumentale panden nodig heeft om succesvol te zijn (zie haar presentatie). Ook wees zij nog op het Gelders initiatief bedoeld om de uitvoeringskwaliteit van bedrijven te vergroten, de Kwaliteitsregeling Kennis & Kunde (zie de website). In Overijssel is inmiddels de Stichting Certificering Restauratie in het leven geroepen met een vergelijkbaar doel (zie de website).  

Afke Draijer sloot af met de uitspraak: het is in de eerste plaats de eigenaar die bepaalt of zijn bezit monumentaal is. Voor de Monumentenwacht is dát het houvast, en niet, hoewel belangrijk, de formele status.

Uit de inleiding van Bernard Stikfort:

Onder de titel "dynamiek en dillema's van een plattelandsgemeente" vertelde de gedreven Bernard Stikfort over zijn ervaringen als cultuurambtenaar.

De gemeente Westerveld is rijk bedeeld met niet minder dan 200 rijks- en provinciale monumenten. De gemeente omvat onder meer de dorpen Havelte, Dwingelo, Diever en Vledder, en telt 7 beschermde (stads- en) dorpsgezichten. Dat zijn er bij elkaar meer dan in heel Twente…

Westerveld hanteert bovendien een regeling voor vrijwillige aanmelding (en afmelding) als gemeentelijk monument. Dat heeft 57 monumentale objecten opgeleverd, waarvan een flink aantal boerderijen. De gemeente staat gerant voor een gratis inspectie (uit te voeren door de Monumentenwacht) en een zogenaamd DuMo-advies, gericht op onder meer de duurzaamheid van het monumentale pand.

De basis van het erfgoedbeleid van de gemeente Westerveld wordt onder andere gevormd door de mede door archeologisch adviesbureau RAAP ingerichte cultuurhistorische waardenkaart (zie de website). Bij de totstandkoming van het erfgoedbeleid is een belangrijke rol weggelegd voor de historische verenigingen in de gemeente.

In de hieronder opgenomen weergave van Bernard Stikforts presentatie zijn aansprekende voorbeelden te vinden van behoud en herbestemming, waaronder een paar boerderijen. Heel actueel is de voordracht van het project De Maatschappij van Weldadigheid als Unesco werelderfgoed. Van dit unieke landbouwproject uit het begin van de 19de eeuw zijn nog vele sporen te vinden, verdeeld over meerdere Drentse gemeenten. Zie de website.

Enkele hoofdpunten uit de discussie

Het ging in de discussie vooral om de vraag hoe de Twentse gemeenten omgaan met de taken die ze hebben (en nog krijgen) gericht op het behoud van het cultureel erfgoed in het buitengebied.  Discussieleider Anry Kleine Deters, zelf afkomstig uit het "arme" Drenthe, zei te genieten van de welstand die de traditionele Twentse boerderijen uitstralen: eigen eiken op het erf en pannen op het dak! Heel anders dan in Drenthe, waar het noodzakelijk eikenhout een collectief bezit was en de boerderijen zuinig met stro en later met riet gedekt werden.

Hoe effectief kan het gemeentelijk erfgoedbeleid eigenlijk zijn als het steeds rekening moet houden met de juridische kaders die zijn neergelegd in de regelgeving met betrekking tot de ruimtelijke ordening? Welke middelen kunnen worden ingezet zonder in de valkuil van de onnodige regeltjes te trappen?  In de discussie werd vastgesteld dat de al  bijna versleten instrumenetn zoals rood-voor-roodregeling en die van de vrijkomende agrarische bebouwing (VAB), niet meer toereikend zijn. Dat geldt overigens niet voor het uit de ook al weer enigszins bejaarde Belvedere-regeling voortkomende adagium: behoud door ontwikkeling. Dat uitgangspunt is nog springlevend en kan heel goed dienen als leidraad voor beleid.

Over welke monumentale gebouwen gaat het? Er blijkt onder de betrokken ambtenaren steeds meer het gedeeld inzicht te ontstaan, dat niet de juridische status alléén bepalend is. In principe zijn alle (4800?) Twentse historische boerderijen, gebouwd voor 1940, als min of meer monumentaal te beschouwen. Naast de aanwezigheid van karakteristieke elementen, is het een belangrijk criterium hoe de eigenaar met zijn bezit omgaat. Ook voor Twentse Erven is dat bepalend: het begint bij de eigenaar/bewoner. Voor de gemeente creëert dat de "opdracht" om het eigenaarsbelang altijd in het proces mee te nemen.

(NB in geheel Twente zijn er ruim 300 boerderijen met de status rijksmonument en 100 met de status gemeentelijk monument. De gemeente Hof van Twente loopt ruimschoots op kop met 65 rijksmonumenten en 23 gemeentelijke monumenten).

Overigens kunnen boerderijenstichtingen als Twentse Erven heel goed een brede bemiddelende rol vervullen. Enerzijds is dat procedureel: de stichting  brengt de eigenaar in contact met de juiste personen in de gemeenten en bij andere instellingen. Zij adviseert over de in herbestemming trajecten af te leggen route (zie het samen met Het Oversticht uitgegeven boekje Behoud het Twentse Erf). Anderzijds is de taak inhoudelijk van aard: de kennis over wet- en regelgeving, over kwesties van erfrecht en fiscale zaken, over bouwkundige oplossingen en materialen, over de historie van de boerderij en zo meer.

Veel gemeenten zijn terecht trots op hun cultureel erfgoed. Daar voldoende aandacht aan te schenken en verstandig mee om te gaan, stuit echter op hobbels van niet toereikende financiële middelen en beperkte personele inzet. Zeker nu de gemeentelijke taken alleen maar méér worden.

Sommige gemeenten slagen er goed in "groene golven" in het proces te brengen. De efficiency is ermee gediend als er gericht maatregelen worden genomen die leiden tot tijdwinst en procedurele voordelen. Het bijna spreekwoordelijke "gesprek aan de keukentafel" is er daar één van! Het zorgt voor begrip en goede sfeer, en voorkomt misverstanden.

De provincie Overijssel helpt op meerdere manieren het cultureel en dus ook het agrarisch erfgoed in stand te houden. Het programma Het Verhaal van Overijssel  heeft het werk van Twentse Erven nu al twee jaar op rij vooruit geholpen. Maar ook als het gaat om kwalitatieve en economische impulsen is er provinciale steun. Voorbeelden zijn de activiteiten gericht op de ruimtelijke kwaliteit (inclusief subsidieregelingen voor gemeenten) (zie de website). Ook een belangrijke stimulerende rol spelen de bijeenkomsten in het kader van het Atelier Overijssel (zie de website).

Tot slot de gemeentelijke politiek: de raadsfracties hebben het niet gemakkelijk. Want waar moet je op inzetten? Hoeveel erfgoed is er minimaal nodig om het platteland aantrekkelijk te houden, hoeveel op herbestemming gerichte initiatieven laat je toe? En hoeveel woningen kun je nog kwijt? Wat doe je met de leegstand? Illustratief in dit verband is het artikeltje van Dirk Baalman over de sloopladder (zie de website). Het biedt een handreiking voor de oplossing van een volgens de prognoses in omvang fors toenemend probleem. Tijdens deze discussie is het antwoord op de vraag hoe effectief zo'n sloopladder kan zijn, niet gevonden, maar het principe biedt wel een mooi startpunt voor een volgende editie van dit gesprek.

Voor vragen naar aanleiding van dit verslag kunt u contact opnemen met Twentse Erven via e-mail.

Ewoud van Arkel - juni 2015

Ga terug