Het erf

Erf boerderij in Elsen, met schaapskooi en bijschuur - foto KNHM, jaar onbekend
Erf boerderij in Elsen, met schaapskooi en bijschuur

De erven van de oude Twentse boerderijen vormden een wereld (of zoals men ook wel zei: een dorp) op zich. Behalve de boerderij zelf vond men hier een groot aantal bijgebouwen en andere objecten, zoals schuren, mijten, een ouderwoning, wagenschuur, bakoven of bakhuis, schaapskooi, plaggenschuur, aardappelkelder, bijenstal (een open afdak waaronder men de korven zette), en soms een molenhuis voor de rosmolen.

Bijschuren kwamen in verschillende vormen voor, In de eerste plaats vond men hier driebeukige schuren, die in hun constructieve opzet niet afweken van de boerderij zelf. Daarnaast kwamen echter ook één- of tweebeukige schuren voor met dwarsdeel of open doorrit in dwarsrichting. Dergelijke schuren hadden soms aan één kant een groot dakoverstek, waaronder wagens konden worden gestald. Ze behielden meestal het langst van alle gebouwen op het erf hun traditionele materiaalgebruik van hout, beleemd vlechtwerk, strowanden (en soms heide) en strodak.

Kenmerkend was ook de zandstenen waterput met zijn hoge putarm, bij het voorhuis van de boerderij. Daarnaast stond een droogrek voor emmers en zuivelgerei, waarvoor vaak een oud wagenwiel dienst deed. Inmiddels zijn veel zo niet de meeste van deze erfonderdelen weer verdwenen doordat zij hun functie verloren. De boerderij zelf stond bij de oude erven altijd met de deeldeuren naar de weg, omdat de akkers vrijwel nooit direct aan het erf grensden. Bij de latere stichtingen op het nieuwe land was dit vaak wel het geval en kan de boerderij ook met het voorhuis naar de weg staan. Op het Twentse boerenerf vond men naast de gebruikelijke moestuin en kleine fruitboomgaard meestal een ruime hoeveelheid beplanting, met hoge loofbomen (vooral eiken), beukenheggen, vlier en taxusboom. De erven leverden hiermee een belangrijke bijdrage aan het Twentse coulissenlandschap met zijn vele boomgroepen en houtwallen.

In hel landschap is het verschil tussen het oude cultuurland en de voormalige woeste gronden nog steeds afleesbaar. De oude boerderijen waren merendeels grote, welvarende bedrijven en het oude land wordt gekenmerkt door een dicht en grillig wegenpatroon waarin de essen nog duidelijk herkenbaar zijn. Het nieuw ontgonnen, rationeel ingedeelde land kent een veel rechthoekiger en ruimer opgezet wegenpatroon en de boerderijen zijn hier vaak kleiner.