Hallehuis met topgevel

In de Twentse boerderij zijn de hoofdkenmerken van het zuivere hallehuis goed bewaard gebleven: vrijwel alle hoofdgebouwen vertonen de bekende driebeukige opzet en constructie met eiken ankerbalkgebinten, en de brede middenlangsdeel met de deeldeuren in het midden van de achtergevel. Daarnaast is er een aantal typisch Twentse kenmerken, die de boerderijen een heel eigen aanzien verlenen.

De historische boerderijen in deze regio kenmerken zich door hun grote hoogte, steile daken en hoge topgevels aan voor- en achterzijde. Opvallend is de verticale houten beplanking van het bovenste deel van de topgevels. Deze houten topgevelschotten komen vooral voor in het midden en oosten van de regio, waar de architectuur van de houtbouw nauw aansluit bij die van over de grens. Soms steekt de topgevel iets over het onderste deel van de gevel uit; de planken gevel rust dan op houten klossen of consoles, of op een uitkragend deel van het metselwerk.

Bij bijgebouwen of armelijke bouwsels werd vooral in het noordoosten van de regio in plaats van een planken beschieting ook wel gebruik gemaakt van heide als afdichting van de topgevel . Het zadeldak zou echter niet de oudste dakvorm zijn; men meent tegenwoordig dat het schuin aflopende schilddak hier eerder voorkwam. De zadeldakvorm met zijn steile 'Westfaalse' topgevels zou vanaf het midden van de zestiende eeuw in het oosten van het land zijn geïntroduceerd vanuit het Munsterland, en deze vorm (die als praktisch voordeel de grotere opslagcapaciteit bezat) zou zich in de daaropvolgende eeuwen verder westwaarts hebben verspreid. In het westen van Twente is het zadeldak inderdaad minder algemeen en hebben veel boerderijen alleen aan de woonhuiskant een houten topgevel, terwijl het dak aan de achterzijde schuin afloopt . Ook komen hier boerderijen voor met aan beide zijden een afgeschuind wolfeind of laag aflopend dakschild.