Het los hoes (1)

Interieur los hoes, met houten draaiboom en ketel, zonder rookvang - fotograaf onbekend
Los hoes, met houten draaiboom en ketel, zonder rookvang

Woon- en werkruimte worden tegenwoordig overal gescheiden door een brandmuur. Een bijzonderheid van de Twentse boerderij is echter het feit dat zich hier langer dan waar ook elders in Nederland het zogenaamde 'los hoes' heeft gehandhaafd, waarbij woon- en bedrijfsfuncties in één ruimte waren ondergebracht. De middenbeuk van het gebouw bleef daarbij van voor tot achter open. Het voorste deel van het gebouw diende als woonruimte, het achterste als bedrijfsgedeelte en een scheidingsmuur ontbrak. Men woonde als het ware op de deel, met vrij zicht op het vee en op alle werkzaamheden die zich in het achterhuis afspeelden. De enige markering tussen voor en achter vormde de afwerking van de ruimte.

De vloer van het bedrijfsgedeelte was van leem, die van het woongedeelte was bestraat met veldkeitjes of klinkers. De zoldering van het bedrijfsgedeelte bestond uit slieten, die van het woongedeelte uit planken. Ook de scheidingswanden tussen midden- en zijbeuk waren in het woongedeelte fraaier afgewerkt en bestonden in het bedrijfsgedeelte uit ruwe planken of uit de stalpalen waaraan het vee stond aangebonden. Midden op de vloer van het woongedeelte bevond zich de stookplaats in de vorm van een vrije haard. Daarboven was vaak een grote hangende rookvang aangebracht van hout of beleemd vlechtwerk. In opzet was deze echter afwezig en moest de rook zich een weg naar buiten zoeken door kieren in de zoldering of door de schaarse open ramen en deuren. Op het vuur werd ook gekookt en erboven hing een ketel aan een ijzeren ketting of aan een getand stuk ijzer, het zogenaamde 'haal'. Om het koken boven open vuur te vergemakkelijken stond naast de stookplaats in veel gevallen een grote houten (later ook wel ijzeren) draaiboom, waarmee de zware ketel met minder moeite boven het vuur kon worden gehangen.

Aan de zoldering, naast of in de rookvang, vond men haken waaraan vlees en spek kon worden gehangen om te drogen of te roken. De weinige meubels bestonden uit enkele stoelen, een tafel en een paar kisten voor het bewaren van textiel en andere kwetsbare bezittingen. In de zijbeuken bevonden zich de bedsteden, opslagruimten en een kleine spoelplaats waar ook werd gekarnd. Deze laatste ruimte stond oorspronkelijk vaak in open verbinding met de middenruirnte. In het bedrijfsgedeelte vond men de gebruikelijke stallen voor rundvee, paarden en varkens. Ook had men hier soms een kleine werkruimte afgescheiden, zoals een weefkamer. (Weven was in Twente een wijdverspreide vorm van huisnijverheid, tot de komst van de grote textielfabrieken.) De hele binnenruimte kreeg maar weinig daglicht. Alleen in de voorgevel zaten enkele ramen van enige betekenis, alsmede een klein venstertje boven de deur. In de lage zijgevels vond men slechts een enkel klein raampje.